Technisch reglement

BIJZONDER REGLEMENT 2CV-CROSS
De Nederlandse 2CV Cross Vereniging valt officieel onder de sectie rallyracing. Het betreffende reglement in het KNAF jaarboek is van toepassing.

Art. 1 DEELNEMING
Daarnaast kunnen wedstrijden worden verreden op circuits die vallen onder andere secties, zoals autospeedway, ovalracing en autocross. Tijdens die wedstrijden zijn de reglementen van die betreffende secties van toepassing. De door de 2CV-CROSS georganiseerde wedstrijden (in zowel Nederland als buitenland) staan open voor rijders, die in het bezit zijn van een Nationale Rallycross-licentie. Deze wordt uitgegeven door de KNAF of door een door de FIA daartoe gerechtigde buitenlandse automobielclub. Voor de deelneming aan de 2CV-CROSS wedstrijden tellend voor het Nederlands Kampioenschap is het daadwerkelijk hebben van een Nationale Rallycross licentie vereist!

Art. 2 AANVANGSTIJDEN
Het tijdschema is voor iedere wedstrijd via website van het bewuste circuit toegankelijk. Wijzigingen of extra mededelingen worden via email toegestuurd.

Art. 3 CIRCUIT
De algemene eisen met betrekking tot circuits zullen door de KNAF of door haar vertegenwoordigers kunnen worden aangepast, voorafgaande aan de door de KNAF af te geven baanlicentie, zoals genoemd in navolgend artikel 4.

Art. 4 BAANLICENTIES EN DE VEREISTEN
In de baanlicentie kunnen de eisen worden aangegeven ten aanzien van de volgende punten:
a. baanbeveiliging
b. medische verzorging
c. brandbeveiliging
d. openbare orde van beveiliging publiek
e. aantal tot een rit toe te laten wagens.

Bovenstaande punten zijn vooraf bepaald en kunnen door de KNAF worden aangepast. Opmerking bij punt E. De 2CV-CROSS heeft in overleg bepaald dat alle wagens in dezelfde reeks starten.

Art. 5 WEDSTRIJDVERLOOP De 2CV-CROSS
Het begint reglementair met een administratieve controle, gevolgd door een technische controle van de wagens. De technische keuring wordt uitgevoerd door de technische commissie van de 2CV-CROSS, onder verantwoordelijkheid van de circuitorganisatie. De wedstrijdleiding berust bij de circuitorganisatie van het desbetreffende circuit. Bij oneens zijn met beslissingen of uitgedeelde vlaggen kan de betreffende rijder navraag doen bij de bewuste wedstrijdleiding. De behaalde punten tijdens alle manches, te verrijden binnen een seizoen tellen mee voor het Nederlandse Kampioenschap 2CV-CROSS. Eventuele schrapresultaten worden op de jaarvergadering vooraf aan het komende seizoen bepaald door het bestuur.

De puntenverdeling van alle manches is als volgt:
1e plaats = 30 pnt.
2e plaats = 27 pnt.
3e plaats = 24 pnt.
4e plaats = 22 pnt.
5e plaats = 20 pnt.
6e plaats = 18 pnt.
7e plaats = 16 pnt.
8e plaats = 14 pnt.
9e plaats = 12 pnt.
10e plaats = 10 pnt.
11e plaats = 8 pnt.
12e plaats = 6 pnt.
13e plaats t/m 24 plaats = 5 pnt.
Uitval = 0 punten.

Als een deelnemer wel aanwezig is geweest maar door uitval geen enkel punt heeft gescoord wordt in de einduitslag voor die wedstrijddag 1 punt toegekend. Het totaal van het aantal behaalde punten op een wedstrijddag bepaalt het dagklassement. Dit dagklassement bepaalt de verdeling van de prijzen, beschikbaar voor die dag. Bij meerdere gelijk geëindigde deelnemers, telt het aantal behaalde overwinningen in de manches, daarna 2e plaatsen enz. Als dit geen uitkomst biedt wordt gekeken naar de 1e manche waarvan de punten het hoogst zijn. Bijv. 30/24/22 staat hoger dan 24/30/22. Dit geldt voor zowel het dagklassement als het totale kampioenschap. Bij overmacht door weersomstandigheden/tijdschema zullen die manches tellen, die op de betreffende wedstrijddag verreden zijn. Een weekend telt als een wedstrijddag.

5.1 RODE VLAG SITUATIE
Indien door een rode vlag de wedstrijd wordt stilgelegd zal deze worden herstart conform de startopstelling van die manche indien de helft of minder van het aantal ronden verreden is. Wanneer er meer dan de helft van het aantal ronden gereden zijn telt de uitslag zoals de laatste doorkomst over start/finish was. Indien er zich onduidelijke situaties voordoen zal de wedstrijdleiding van het organiserende circuit beslissen wat er met die manche gebeurt. Als bij een rode vlag situatie het voor 2 of meer rijders niet mogelijk is om meteen weer voor de herstart te verschijnen dan zal een lid van het bestuur in overleg met de wedstrijdleiding beslissen wat het gevolg is. Er wordt gereden of gekozen voor een eventuele herstart op een later te bepalen tijdstip die racedag. Het opzettelijk veroorzaken van een code rood word minimaal bestraft met uitsluiting van de eerstvolgende manche of herstart. Als de code rood in de 4e heat op het Eurocircuit plaatsvind is het gelijk einde wedstrijd.

Art. 6 PRIJZEN
Per wedstrijd worden aan de eerste drie of zes van het dag klassement een beker uitgereikt, of zoveel als er door het organiserende circuit beschikbaar worden gesteld. Voor het kampioenschap wordt er aan het eind van het jaar zowel door NRV als door de 2CV-CROSS een prijs uitgereikt.

Art. 7 INSCHRIJFTERMIJN EN MAXIMUM AANTAL DEELNEMERS
De inschrijvingen zullen in volgorde van binnenkomst worden geaccepteerd. Er kan een maximum per wedstrijd worden bepaald door het bestuur. Dit gebeurd voorafgaande aan het seizoen op de jaarvergadering van de 2CVCROSS in overleg.

Art. 8 INSCHRIJFGELD
Het inschrijfgeld per 2CV-CROSS wedstrijd wordt voorafgaande aan het seizoen bepaald. Dit gebeurd in onderling overleg tussen circuit en bestuur 2CV-CROSS.

Art. 9 PLAATS VAN INSCHRIJVING
Inschrijvingen voor alle 2CV-CROSS wedstrijden moeten worden gedaan bij het secretariaat van de Nederlandse 2CV-CROSS Vereniging, uiterlijk 1 uur voor aanvang van elke wedstrijd. Elke deelnemer is verplicht minimaal 24 uur voor aanvang zich af te melden bij verhindering bij de voorzitter.

Art. 10 UITSLAG
De uitslag zal op de wedstrijddag bekend gemaakt worden. Protesten kunnen worden ingediend volgens de regels gesteld in het KNAF jaarboek.

Art. 11 TRAINING
Deelnemers die niet trainen op de aangegeven tijd, kunnen uitgesloten worden van verdere deelname. De auto’s worden één voor één gestart, waarbij het totaal aantal toegelaten wagens en te rijden ronden door de wedstrijdleiding van het circuit wordt vastgesteld.

Art. 12 START
Voor alle manches wordt de startopstelling bepaald door loting tijdens de inschrijving voor de wedstrijd. Er wordt minimaal 1 lot getrokken, afhankelijk van het aantal te verrijden manches. De eerste manche rijdt men volgens de loting, de 2e manche draait de opstelling om en telt men de loting vanaf achter naar voor. De startopstelling zal worden gemaakt, waarbij de gemiddelde opstelling voor een ieder gelijkwaardig is. De start vindt plaats volgens de methode van het circuit.

12.1 STARTVELD
Indien door calamiteiten onverhoopt een deelnemer niet kan starten zal de betreffende startplaats “leeg” blijven.

12.2 STARTNUMMERS
Het recht op de startnummers 1 tot en met 10 word verkregen door eindklassering in het jaar ervoor. Startnummers 11 tot en met 99 zijn vrij te verdelen.

Art. 13 RONDEN
Overmacht voorbehouden, zullen er minimaal 4 ronden per wedstrijd verreden worden. Het definitieve aantal ronden wordt uiterlijk tijdens de wedstrijdbriefing medegedeeld.

Art. 14 STRAFFEN EN UITSLUITING
Het passeren bij een gele vlag, bewogen of niet bewogen, wordt bestraft met zwart, dus uitsluiting voor die manche. Dit geldt voor alle circuits!
Het met vier wielen buiten de baan geraken wordt bestraft met uitsluiting, indien dit voordeel oplevert. Het veroorzaken van een valse start levert een officiële waarschuwing op. Twee waarschuwingen betekent uitsluiting voor de betreffende manche. De veroorzaker van de valse start wordt teruggezet naar de laatste plaats qua punten voor die manche. Het negeren van aanwijzingen door het bestuur van de Nederlandse 2CV Cross Vereniging of het organiserende circuit wordt bestraft met uitsluiting voor 1 wedstrijddag. Indien meegereisde supporters van een bepaalde deelnemer zich (regelmatig) misdragen zal de desbetreffende deelnemer worden uitgesloten voor die dag. Herhaald zich dit vaker dan wordt de deelnemer uitgesloten voor het hele seizoen of geroyeerd als lid van de vereniging.

Art. 15 LICENTIES
Alle rijders zorgen voor een kopie van de licentie zodat het bestuur bij inschrijving deze kan voorleggen aan het circuit. Elke deelnemer dient de licentie bij te hebben op de wedstrijddag. Niet kunnen tonen kan leiden tot uitsluiting van deelname voor die dag. De landelijke ASN, in casu de KNAF, is volgens de vereisten gesteld door de FIA, verantwoordelijk voor een adequate P.O.-verzekering van haar licentiehouders. De verzekering zal door tussenkomst van de KNAF worden gesloten waarna in combinatie daarmee eerst een licentie zal kunnen worden afgegeven. De kosten van de licentie dienen aan de KNAF te worden voldaan en de licenties door de KNAF te worden afgegeven.

Art. 16 VERBODEN KLEDING
Buiten het gestelde in het Algemeen Reglement geldt dat het verboden is een nylon jack aan te hebben, tenzij vervaardigd van een onbrandbare pure nylon als Nomex.

Art. 17 RECLAME
Volgens het gestelde in het KNAF jaarboek. Daarnaast is elke rijder verplicht de reclame van de club en clubsponsors te voeren, op de daartoe aangewezen plaatsen. Namen sponsoren wordt bepaald door bestuur voorafgaand aan het seizoen. – Voorportieren + Dak – Motorkap + Achterklep – Onder de voorruit (plaats waar de luchtklep zit) – Op de dakspoiler, ter hoogte van de middenspijl

Art. 18 ONVOORZIEN
In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist de technische commissie, bestuur, wedstrijdleiding en/of het daartoe bevoegde college van officials.

TECHNISCH REGLEMENT 2CV-CROSS
De technische controle is een belangrijk onderdeel van het complete reglement, daar dit ervoor zorgt dat alle deelnemers gelijkwaardig kunnen strijden voor het kampioenschap. Er wordt dan ook streng maar rechtvaardig gecontroleerd op alle onderstaande punten. Alles wat niet valt onder het KNAF reglement of onderstaande punten is dan ook niet toegestaan.

Art. 1 BESCHERMING VAN DE BESTUURDER
1. een veiligheidsrolkooi
2. versterkt dak
3. minimaal een 4-puntsgordel en een stoel met hoofdbeschermer
4. een niet-lekkende benzinedop op de benzinetank
5. voorruit
6. de hoeveelheid benzine in de tank mag ter bescherming van de rijder nimmer meer dan 5 liter bedragen.

Iedere deelnemer/rijder moet:
A. Een ooit goedgekeurde helm dragen (ASN-goedkeuring)
B. Een ééndelige brandvertragende (liefst ooit FIA gehomologeerde overall) dragen, welke is voorzien van goed afsluitende mouwen en pijpen
C. Het verdient aanbeveling om wollen of brandvrije sokken en wollen of brandvrij ondergoed te dragen
D. Leren of brandvrije handschoenen en schoenen zonder gaten te dragen
E. Een bril of vizier dragen in die gevallen, dat zijn automobiel van een voorruit is voorzien, waarin zich een opening bevindt of wanneer de voorruit van gaas is
F. Goed in zijn stoel verankerd zijn d.m.v. minimaal een 4- puntveiligheidsharnas
G. De zijruit aan de bestuurderszijde dient volledig afgesloten te zijn met gaas
H. Een zgn. balaclava verdient aanbeveling
I. een zgn. nekband dragen is verplicht.

1.1 VEILIGHEIDS-ROLBEUGELKONSTRUKTIE (zie bijlage 1 en 2)
De 2CV-CROSS eend dient te worden uitgerust met een kooivormige beugelconstructie, waarvan 5 punten aan het chassis zijn bevestigd.
De bevestiging dient via een plaat van minimaal 3mm dik met 4 bouten M8 aan het chassis te worden bevestigd. Zie tekening als bijlage.
Deze “rolkooi” moet via de Nederlandse 2CV Cross Vereniging worden aangeschaft. Wel mogen de deelnemers deze zelf aanbrengen. Na maken van de rolkooi dient deze te worden goedgekeurd door het bestuur of de technische commissie. De lassen, bochten en verbindingen tussen de pijpen moeten deugdelijk gemaakt zijn.
Teneinde voldoende effectieve bescherming van de bestuurder te waarborgen, dient de diameter van de pijp 45 mm buitenwerks te zijn met een wanddikte van 2,5 mm. Materiaal: koudgetrokken naadloze precisiebuis NKB, St 35, DIN 2391-1981, afm. 45 x 2,5 mm of een andere FIA goedgekeurde variant.
Volgens tekening “rolkooi, dd 300695, nr. PFM001.” Iedere rolbeugel waarvan de buitendiameter minder dan 45 mm bedraagt, wordt geweigerd. Profielen van een rechthoekige of driehoekige doorsnede zijn verboden. De platen en de steunplaten om de beugel op het chassis te bevestigen moeten minimaal een oppervlakte van 120 cm2 hebben. Deze platen dienen minimaal te zijn vervaardigd van ‘staal 37’ minimaal 3mm dikte en vastgezet met minimaal 4 M8 bouten. Tussen de voet van beide voorpoten en achterpoten dient, strak op of onder de bodem, dwars over het chassis, een versteviging aangebracht te zijn van hoekstaal minimaal 30x30x3 mm.

1.2. VERSTERKT DAK
Een stevig plaatijzeren dak moet met de veiligheidsrolbeugel een onwrikbaar geheel vormen. Deze staalplaat van minimaal 1,5 mm dikte, moet de gehele oppervlakte tussen de vier pijpen van minstens 45 mm diameter, waarop deze plaat moet rusten, bedekken. Het is verplicht de plaat direct, zonder tussenstuk, op de 4 buizen van de rolkooi te lassen. Een en ander moet deugdelijk zijn gelast d.m.v. een ononderbroken las of kettinglassen. Het hoofd van de bestuurder moet in ieder geval beschermd zijn door dit stevige dak.

1.2.1. ALUMINIUM DAKPLAAT
Het is naast de stalen dakplaat die aan de rolkooi is vast gelast ook verplicht het dak dicht te maken met een aluminium dakplaat zodat het geheel netjes is afgewerkt. Deze dakplaat mag ook vervaardigd zijn van staalplaat, mits goed bevestigd. Op deze dakplaat wordt het startnummer voorzien. De aluminium dakplaat loopt vanaf de voorruit tot aan de middelste dwarsstijl.

1.3. VEILIGHEIDSGORDEL EN STOEL
De veiligheidsgordel dient aanwezig te zijn en minimaal een ooit FIAgoedgekeurde 4-puntsgordel te zijn. Deze dient degelijk te zijn bevestigd aan de rolkooi of aan de vloer. De aanwezige stoel dient ooit FIA goedgekeurd te zijn geweest en een hoofdsteun te bevatten.

1.4. BENZINEDOP
Ter voorkoming van aanrijdschade en lekkage, moet de vulopening van de tank tot boven het achterspatbord verplaatst worden en moet zich buiten de carrosserie bevinden. De buis naar de tank mag in dit geval, deugdelijk bevestigd en afgeschermd, aan de binnenzijde van de wielkast naar de tank gevoerd worden. Een standaard benzinedop zonder beluchting toepassen. De benzinedop moet worden voorzien van een veiligheidsdraad tegen verliezen. Deze draad dient te worden bevestigd aan de carrosserie. Bij gebruik van een benzinedop met slot vervalt de veiligheidsdraad

1.5. DE RUITEN
De voorruit moet bestaan uit gelaagd glas van minimaal 6 mm. In dit geval is montage van een elektrische ruitenwisser toegestaan, evenals een ruitensproeierinstallatie. Het is verboden het sproeierreservoir in het interieur aan te brengen. Het reservoir dient in het motorcompartiment aangebracht te worden. Het ontbreken van de voorruit is evenwel toelaatbaar, op voorwaarde, dat deze is vervangen door een beschermd traliewerk. Het is verplicht om de ruiten van de voorportieren en de derde ruit te verwijderen, en te vervangen, tenminste voor het portier van de bestuurder, door een beschermend traliewerk. De mazen van dit beschermend traliewerk moeten 20 mm bij 20 mm bedragen of kleiner en voldoende stevig zijn (staaldraad van minstens 1,5 mm dikte). Kippengaas, vliegenkastgaas of plastic gaas zijn verboden, ook het gebruik van plexiglas als voorruit is verboden. Indien een gelaagde voorruit is geplaatst, wordt geadviseerd deze met metalen strips extra te verzekeren ter voorkoming van verliezen tijdens het rijden. In plaats van het voorgeschreven gaas mag voor uitsluitend de zijruiten splintervrij kunststof (Lexaan), van minimaal 5 mm dik worden toegepast. Het is toegestaan om naast een voorruit van gaas ook een extra gelaagde voorruit toe te passen, mits deugdelijk vastgemaakt.

Art. 2 CARROSSERIE (zie bijlage 4)
Aan de start van iedere wedstrijd moet de auto zijn zoals omschreven in dit reglement. Het is niet toegestaan om stukken te snijden uit vloer, de resterende portieren, de motorkap (met uitzondering van de oude kap, zoals hieronder omschreven). Of de motorkap te veranderen voor luchttoevoer en de beide buiten- en binnen schermen aan de motorkap vast te zetten. Het verwijderen van de achterportieren en de linnen kap is verplicht. Daar tegenover moeten de voorportieren, de bagageklep, de spatborden en de motorkap gehandhaafd blijven en op de originele of degelijke wijze zijn bevestigd. Het is niet toegestaan de bagageklep open te zetten. De carrosserie dient er deugdelijk uit te zien en moet correct gespoten zijn!

2.1 DE SPATBORDEN
Een uitsnijding van de voor- en achterspatborden is verplicht en moeten omgezette randen van 2 cm. hebben om scherpe randen te vermijden. Versterkingen binnen de ombuiging zijn verboden.

VOOR:
Deze uitsnijding voor de voorspatborden van de 2CV mag niet verder gaan dan de lijn die getrokken kan worden vanaf een punt, dat loodrecht boven het middelpunt van het wiel ligt, tot het punt waar de zijkant van de motorkap de bumper raakt (scherpe kanten omzetten). De voorspatborden kunnen met elkaar verbonden worden door een dwarspijp van maximaal 21 mm doorsnede buitenwerks. Zij kunnen worden vastgezet aan de twee pijpen, die de ventilatorbescherming verbinden met het schutbord (zie paragraaf 3). Het wegnemen van de zijdelen van de spatschermen (een demontabel deel in driehoekige vorm tussen het voorspatbord en de motorkap) is toegestaan op de 2CV met nieuwe motorkap. De zijdelen van de Dyane en de 2CV met oude motorkap kunnen tot aan het schutbord worden verwijderd (scherpe kanten omzetten).

ACHTER:
De achterschermen moeten in de ronding van het wiel uitgesneden worden, met een straal van maximaal 370 mm. In dit geval dient de voorzijde van het achterscherm tot aan de laatste bevestiging bij de onderdorpel aanwezig te blijven. Een combinatie van uitsnijdingen met die van het andere model is niet toegestaan.

2.2 DE MOTORKAP
De vorm van de motorkap mag niet worden gewijzigd. Het is verboden gebruik te maken van extra ijzerdraad of riemen dwars over de motorkap gespannen. De aanwezigheid van de grille is vrijblijvend. Wanneer deze verwijderd wordt (wenselijk) mag deze worden vervangen door gaas vastgehecht aan de binnenzijde van de motorkap. De mazen van dit gaas mogen niet groter zijn dan 20 bij 20 mm. De luchtinlaat boven op de motorkap van de Dyane mag worden verwijderd. Twee vergrendelingen met split- of veerpennen met een 2 mm volgplaat moeten de motorkap gesloten houden. De splitpennen moeten voorzien zijn van een veiligheidsdraad of ketting. De originele sluiting moet verwijderd worden. Rubberen snelsluitingen zijn niet toegestaan. De vrije ruimte tussen de motorkap en voorspatbord mag niet meer zijn dan 2 cm.

2.3 DE DEUREN
De beide voorportieren moeten geopend kunnen worden en het is verplicht deze in gesloten stand extra vast te zetten met tenminste één stevige vaste leren riem met gesp. Wanneer het slot verwijderd wordt, dient men de deur vast te zetten met twee leren riemen met gesp. De klep van de koffer moet op zijn oorspronkelijke plaats blijven en gesloten zijn. De klep mag ook vastgezet worden (gelast of geschroefd). Het is verboden gebruik te maken van extra ijzerdraad of snelbinders. Het is niet toegestaan om de originele metalen verstevigingsprofielen aan binnenzijde van de deuren en kofferklep te verwijderen.

2.4 OVERIGE DELEN CARROSSERIE
De ventilatieklep (luchtklep onder de voorruit) mag niet worden verwijderd. De gaten die gemaakt zijn na aflevering van de auto door de fabriek, in schutbord en bodem, moeten zorgvuldig met staalplaat worden dichtgemaakt. Aan de vorm van de voorruit mag niets worden veranderd. Er mogen geen kunststof onderdelen worden gebruikt. De bodemplaten, reservewielbak en de ruimte voor de achterlichten en kentekenverlichting mogen vervangen worden door niet originele onderdelen. Het te vervangen materiaal dient minimaal dezelfde kwaliteit te zijn of minimaal 2 mm aluminium deugdelijk bevestigd.

2.5 BUMPERS
De voor- en achterbumpers moeten samen met de bevestigingssteunen worden verwijderd. Alle andere voorzieningen zijn niet toegestaan. Het is niet toegestaan de originele plaats, waar de bumper gemonteerd zat, te versterken met buis-, hoek- of andere versterkingsprofielen. Toegestaan is 10 om de achterzijde van de carrosserie te beschermen door een ronde stalen buis, 34 mm, wanddikte max. 2,5 mm., max. lengte 1100 mm of een U-profiel met dezelfde maten. De uiteinden moeten worden afgerond zonder scherpe kanten. De buis of het U-profiel moet direct aan de twee uitstekende chassispoten worden bevestigd. Tevens mag een stalen plaat, dikte max. 2 mm. verticaal ten hoogte van de achterlichten worden vastgemaakt. Deze plaat mag niet groter zijn dan de ruimte waar de achterlichten en kentekenplaat behoren. Andere bumperconstructies zijn niet toegestaan.

2.6. SPIEGELS
Het is verplicht een binnenspiegel te monteren. Merk, type en plaats is vrij. Het is wel verplicht een originele (2CV/Dyane) linker buitenspiegel te monteren. De montage beugel mag worden ingekort.

Art. 3 BESCHERMING VAN DE VENTILATOR
Dit is toegestaan, als niets buiten de gesloten motorkap uitsteekt. De steun hiervoor mag niet in de cabine uitkomen en niet verbonden zijn met de veiligheidsrolbeugel. Deze bescherming, gemaakt van pijp van maximum 21 mm doorsnede en een wanddikte van max. 2,5 mm., mag verbonden zijn aan het schutbord of aan het chassis door 2 extra pijpen van dezelfde diameter. Deze twee pijpen mogen worden vastgezet op het schutbord, met moffen (maximaal 10 cm lang). Geen versterking (vierkant profiel of hoekijzer, etc.) mag uitsteken buiten het uiteinde van het chassis. Alleen de pijp met een diameter van 21 mm mag uitsteken, onder voorwaarde, dat zij evenwel onder de motorkap blijft. De beschermplaat onder de motor mag omgeslagen zijn aan de voorzijde van de twee langsliggers, onder voorwaarde dat deze niet uitsteekt buiten de motorkap. Om het duwen te verminderen mogen max. vier verticale buizen, doorsnede 21 mm., wanddikte max. 2,5 mm. gemonteerd worden. Deze buizen mogen licht gebogen worden, in dezelfde vorm als de motorkap. De bovenzijde van deze vier buizen moet open zijn om controle op de wanddikte mogelijk te maken. De constructie van deze vier verticale buizen mag demontabel zijn zodat deze snel verwisseld kunnen worden. Het is niet toegestaan de vier verticale buizen onderling met horizontale buizen te verbinden. Het is toegestaan om gaas te gebruiken tegen opspattend grind. Draaddikte max. 2 mm. Of geperforeerd plaat, max. 1 mm dik. De bevestiging van de voorspatborden moet op de originele plaats zitten. Het is toegestaan de spatborden aan ventilatorbeschermer te monteren. Het is toegestaan om over het luchtfilter een buis aan te brengen van dezelfde maat dikte 21 mm. wanddikte max. 2,5 mm.

Art. 4 BINNENINRICHTING
De binneninrichting is vrij, onder voorwaarde dat geen instrument of voorwerp uitsteekt. Alle stoelen en banken dienen verwijderd te worden. Op de plaats van de bestuurder moet een speciale stoel staan die goed vast zit (1.3). Een brandblusser is niet verplicht.

Art. 5 MOTOR
De keuze van de motoronderdelen en de accessoires is vrij, onder nadrukkelijke voorwaarde dat het standaardonderdelen van Citroen moeten zijn uit de 2 CV, Dyane, Méhari, AMI 6, AMI 8, bestelwagens 2CV en 3CV serie, of imitatieonderdelen mits gelijkwaardig aan de Citroen onderdelen. Deze onderdelen mogen geen enkele verandering ondergaan, bijvoorbeeld: machinale bewerking, boren, polijsten, lassen, montage van een tussenstuk, etc. zijn niet toegestaan. Alle kunstgrepen om meer vermogen te verkrijgen zijn verboden. Bijvoorbeeld: montage van een compressor, polijsten van de in- en uitlaatspruitstukken, het lichter maken van het aandrijfaggregaat, opnieuw uitboren, vergroten van de diameter van de kleppen, het verhogen van de compressie, het wijzigen van de kleptiming en kleplichthoogte, etc. De cilinderkoppen moeten origineel zijn en rechtstreeks van de fabriek. De luchtfilterkeuze is vrij. De motor moet compleet zijn met zijn beplating. Alleen de onderdelen die voor de verwarming dienen, kunnen worden weggenomen (monden en luchtslangen). Het aanbrengen van een beschermplaat onder de motor is toegestaan.

5.1 UITLAAT
In verband met de geluidseisen (85 dB(A), op 10m. afstand in het verlengde van de uitlaatpijp, met de motor draaiende op 4000 toeren/ min) moet het eerste gedeelte van de uitlaat, tot en met de dwarsdemper onder de versnellingsbak, origineel en gasdicht aangebracht zijn. Overtreding kan tot gevolg hebben dat men uit de wedstrijd wordt genomen.

Art. 6 BENZINETOEVOER
De benzinetank moet standaard zijn en gemonteerd op de originele plaats. Het benzinetoevoersysteem van de motor, tussen de tank en de benzinepomp, en tussen benzinepomp en carburateur, moet eveneens origineel zijn. De toevoerleiding mag niet door de cabine lopen en minimaal 10 cm van de uitlaat verwijderd zijn. Er mag geen benzine op de uitlaat lekken. Deze leiding mag beschermd worden. Het is toegestaan een extra benzine filter te plaatsen tussen de benzinepomp en carburateur. De toegestane benzine is de benzine verkrijgbaar aan de benzinepomp in Nederland. Het toevoegen van loodvervanger is toegestaan, andere toevoegingen zijn verboden. De wedstrijdleiding zal, indien zij dit voor het wedstrijdverloop nodig acht, voor een aantal rijders dezelfde benzine kunnen verstrekken. De benzine die men dan krijgt voldoet aan de eisen dan het reglement. Het niet opvolgen van deze maatregelen heeft het niet starten in de desbetreffende rit tot gevolg.

Art. 7 KOPPELING – VERSNELLING – AANDRIJFASSEN
De keus van deze delen is vrij, onder uitdrukkelijke voorwaarde dat deze standaard onderdelen zijn uit de 2CV, Dyane, Méhari, AMI 6, AMI 8, bestelwagens 2CV en 3CV serie en deze onderdelen omwille van de montage geen enkele verandering ondergaan. Het is niet toegestaan het vliegwiel lichter te maken. De verhouding tussen de tandwielen en het kroonwiel en pignon van de 12 gekozen versnellingsbak moeten dezelfde zijn als die van een versnellingsbak van de voertuigen uit de 2CV, Dyane, Méhari, AMI 6, AMI 8, bestelwagens 2CV en 3CV serie. Dat wil zeggen dat de overbrenging van de tandwielen en het kroonwiel en pignon van één versnellingsbak naar de andere verboden is. De montage van een versnellingsbak met een kroonwiel en pignon van het type 7×31 is uitdrukkelijk niet toegestaan. De werking van de versnellingspook mag niet worden gewijzigd. Deze mag wel worden verlengd in de cabine om zo een betere bereikbaarheid te krijgen voor de bestuurder. Een versterking van de achterste elastische steun van de versnellingsbak, alsook van hun bevestigingen, is toegestaan. Het is toegestaan om trommelremmen of schijfremmen toe te passen op de versnellingsbak. Het is niet toegestaan om een sper te monteren.

Art. 8 STUURINRICHTING
De stuurinrichting, stuurkolom en het stuurwiel zijn vrij, onder voorwaarde echter dat het Citroen onderdelen zijn, en alleen van het type 2CV, Dyane, Méhari, AMI 6, AMI 8, bestelwagens 2CV en 3CV serie of imitatie. Versterking van de spoorstangen is toegestaan, alsook van hun bevestigingen. Het is verplicht in de stuurstang minimaal 1 kruiskoppeling toe te passen.

Art. 9 CHASSIS-VERING
Het chassis, de armen, de anti-galuprubbers van de vering en de voor- en achteraslichamen moeten standaard zijn en alleen uit de 2CV, Dyane, Méhari, AMI 6, AMI 8, bestelwagens 2CV en 3CV serie. Het is toegestaan om een gegalvaniseerd imitatie chassis te gebruiken. Versterking van deze delen is toegestaan evenals van de versnellingsbaksteun aan het vooraslichaam. De verandering van de vering en de voor- en achteraslichamen is toegestaan, onder voorwaarde dat de vervangen of aangebrachte elementen Citroen onderdelen zijn en alleen uit de 2CV, Dyane, Méhari, AMI 6, AMI 8, bestelwagens 2CV en 3CV serie. Schokbrekers dienen de originele vorm te hebben en op de originele punten bevestigd te zijn. Daarnaast zijn schokbrekers toegestaan indien ze dezelfde werking hebben en niet verstelbaar zijn. Deze dienen dan echter wel van een erkende schokbreker fabrikant af te komen. De montage van wrijvingsschokbrekers gecombineerd met telescoopschokbrekers is niet toegestaan, dat wil zeggen dat men of een wrijvingsschokbreker of een telescoop schokdemper voor iedere arm moet monteren. Het is niet toegestaan achter een stabilisatorstang te monteren. Vóór is een stabilisatorstang wel toegestaan. Zowel aan de voor- als achterzijde van de auto moeten twee sleepogen aan het chassis bevestigd zijn, deze mogen niet buiten de carrosserie steken. De ogen moeten rood geverfd zijn, de plaats moet op de bovenliggende carrosserie met een rode pijl van 10cm lengte aangegeven zijn.

Art. 10 REMSYSTEEM
Het functioneren van de handrem is niet verplicht. De rest van het 13 remsysteem moet origineel en standaard blijven.

Art. 11 WIELEN EN BANDEN
Onder een wiel wordt verstaan de combinatie van een band met een velg. De velgen behoren origineel te zijn. De banden behoren origineel te zijn en alleen uit de 2CV, Dyane, Méhari, AMI 6, AMI 8, bestelwagens 2CV en 3CV serie. De maten 125×15, 135×15 en 145×15 zijn toegestaan, de hoogte van de banden is vrij. Grofprofielbanden zoals M&S banden zijn toegestaan. Het is toegestaan om deze banden op te snijden mits het karkas van de opgesneden band niet wordt beschadigd. Niet toegestaan zijn: dubbelluchtbanden, tractorbanden, 1 of meerrijige noppenbanden, slicks. Alleen voor de wedstrijden die plaats vinden op sneeuw of ijs zijn spijkerbanden toegestaan wanneer de organisatoren daarmee instemmen. Montage van banden is vrij en daarbij zijn beschermflappen en binnenbanden toegestaan.

Art. 12 ELEKTRICITEIT (zie bijlage 3)
De dynamo of wisselstroomdynamo moet gehandhaafd worden met de V-snaar en de draden moeten zichtbaar aangesloten zijn. Er mag een schakelaar voorzien worden om de verbinding tussen dynamo en accu te onderbreken. De koplampen, knipperlichten en achterlichten moeten verwijderd zijn. Alle extra lampen zijn verboden. De accu moet een zelfde vloeistof accu zijn met gelijke capaciteit en afmetingen als origineel voor de 2CV en dient solide te zijn bevestigd met de originele bevestiging en met 2 stalen versterking beugels op zijn originele plaats. De beide polen dienen te worden afgeschermd (met plastic of rubber kappen die `vast’ zijn aangebracht). De bovenzijde van de gehele accu moet worden afgeschermd met een rubberen kap. De aanwezigheid van 2 goedwerkende remlichten van 21 watt zijn verplicht. Daarnaast zijn ledlampen toegestaan. De remlichten dienen rechts en links aan de onderzijde van de bovenste dwarsstijl te worden gemonteerd. Afmetingen van deze remlichten zijn 12 x 5 cm en rood van kleur. Tussen de 2 remlichten dient een gele of oranje lamp geplaatst te worden, de zogenaamde “stoflamp”. Deze lamp moet ten alle tijden kunnen branden, dus ook wanneer de hoofdstroom schakelaar uit staat. Op het circuit tijdens een manche dient deze “stoflamp” altijd te branden! De spanningsregelaar dient op de originele plaats te zitten in het motorcompartiment. Het is toegestaan een aan/uit schakelaar te voorzien.

12.1 HOOFDSTROOMSCHAKELAAR
Er moet een hoofdstroomschakelaar duidelijk zichtbaar gemonteerd zijn in het dashboard onder handbereik van de bestuurder. De plaats van bediening moet duidelijk zijn aangegeven door middel van een blauwe driehoek van 15×15 cm. In deze driehoek behoort een rode bliksemschicht. De aan- en uitstand dient duidelijk te zijn aangegeven. De montage dient te geschieden volgens het bij het technische reglement behorende schema. Tevens dient aan de buitenzijde onder de voorruit in het midden een rood gekleurd rond trekoog, diameter 5 cm, gemonteerd te zijn, waarmee de hoofdstroomschakelaar in geval van calamiteiten uitgeschakeld kan worden. Ook hier dient een blauwe driehoek met rode bliksemschicht te zijn voorzien.

INSTALLATIEVOORSCHRIFT:
Het is duidelijk dat de bedoeling van de hoofdstroomschakelaar bij een eventueel ongeval is, om in één beweging het elektrisch systeem van de auto buiten werking te stellen om zodoende vooral het brandgevaar te beperken. Het is dus zonder meer ook de opzet van het geheel dat, wanneer de hoofdstroomschakelaar wordt omgedraaid, de motor onmiddellijk stopt en niet op de dynamospanning blijft doordraaien. Installeer aan de hand van het schema, waarbij de motor met uitgeschakelde hoofdstroomschakelaar ook inderdaad stopt, de hoofdstroomschakelaar zonder dat een eventueel aanwezige wisselstroomdynamo hiervan schade ondervindt, daar het laadstroomcircuit niet onderbroken wordt. Bij de meeste wagens kan dit bereikt worden door de draad die loopt van de + van de dynamo naar het startmotorsrelais, te monteren aan de + pool van de accu of aan de + kant van hoofdstroomschakelaar. Wordt dan bij draaiende motor de schakelaar omgedraaid, dan stopt de motor onmiddellijk en wordt het gehele elektrische circuit uitgeschakeld van de verbinding + pool accu tot dynamo. Bij een wisselstroomdynamo blijft de accuspanning aanwezig tot aan de diodes; bij een gelijkstroomdynamo tot de automatische schakelaar van de spanningsregelaar.

Art. 13 CONFORMITEIT VAN DE VOERTUIGEN
Na de technische controle mag alleen na toestemming van de technische commissie de motor of versnellingsbak worden vervangen of een motorreparatie worden uitgevoerd waarbij vitale delen worden vervangen zoals cilinderkop, krukas, zuigers en cilinders etc. Het bestuur en de technische commissie heeft het recht om meerdere auto’s te laten verzegelen om het zonder toestemming te wisselen van motoren tegen te gaan. Wordt het zegel op wat voor manier dan ook verbroken, dan geldt voor de betreffende deelnemer dat alle punten tot dan toe behaald in het seizoen worden afgenomen. Gedurende de wedstrijd van de 2CV-CROSS behouden de organisatoren zich het recht voor op ieder moment de juiste nakoming van het reglement te controleren. Alleen de deelnemer of een door de organisatoren geaccepteerde vertegenwoordiger zal mogen assisteren bij deze controle. Bij het goed bevinden loopt de bestuurder het risico, dat het gehele voertuig of een gedeelte hiervan, op last van de organisator voor onderzoek en vergelijking wordt gedemonteerd. Deze demontage gebeurd door een lid van de technische commissie en niet op een wedstrijddag. In het geval van opnieuw monteren van motor en/of versnellingsbak en de verschillende bijstellingen aan het voertuig zal dit voor rekening van de bestuurder komen, zoals ook het vervoer van de verschillende onderdelen of het voertuig.

Art. 14 TECHNISCHE COMMISSIE
De leden van de technische commissie worden tijdens de jaarvergadering door de leden gekozen. Zij hebben de bevoegdheid de inhoud van dit reglement te controleren. Aanwijzingen, in welke vorm dan ook, dienen direct te worden opgevolgd. Het negeren van deze aanwijzingen zal worden bestraft met uitsluiting van één wedstrijddag. Belangrijk: Elke overtreding (hoe klein ook, en om welk motief) van het huidige reglement, zal onherroepelijk diskwalificatie tot gevolg hebben. Dit kan zijn van die of alle 2CV-CROSS wedstrijden, volgens de beslissing van de organisatoren, onverminderd de strafmaatregelen, die zouden kunnen worden genomen door de sportautoriteiten. Alles wat niet genoemd is in het huidige reglement dient onveranderd te blijven.
16 Bijlage 1: Officiële rolkooiconstructie Citroën 2CV
17 Bijlage 2: Maten en tekening rolkooiconstructie Citroën 2CV
18 Bijlage 3: Elektrisch schema Citroën 2CV
19 Bijlage 4: Constructie diverse onderdelen Citroën 2CV